Verrekening lijfrente bij echtscheiding

- door

Bij de verdeling of verrekening van een lijfrente in geval van echtscheiding, kan er voor de ene ex-partner een belaste periodieke uitkering ontstaan en voor de andere ex-partner een persoonsgebonden aftrek.

Ruim een op de drie huwelijken eindigt in een echtscheiding. In Nederland zijn de meeste huwelijken in algehele gemeenschap van goederen gesloten. Als een dergelijke gemeenschap wordt ontbonden door echtscheiding, dan moet deze gemeenschap worden verdeeld. Veel mensen hebben in het verleden een of meerdere lijfrenten gesloten en deze zullen dan ook moeten worden verdeeld. Bij deze verdeling moet rekening worden gehouden met mogelijke fiscale consequenties van de verdeling dan wel verrekening van de lijfrenten.

Verdeling van de lijfrente
De hoofdregel is dat bij verdeling van een lijfrente er sprake is van vervreemding. Dit heeft tot gevolg dat de in het verleden in aftrek gebrachte lijfrentepremies inclusief het rendement tot het belastbaar inkomen worden gerekend. Bovendien is 20% revisierente verschuldigd over de waarde in het economisch verkeer van de lijfrente. Op grond van art. 3.134 lid 2 Wet IB 2001 is echter bepaald dat er in deze situatie geen sprake is van een reguliere vervreemding en blijven de sancties daarmee uit. Dit kan alleen gerealiseerd worden door de lijfrente te splitsen of door verschillende lijfrenten te verdelen zodat beide ex-partners een gelijke waarde aan lijfrente ontvangen. Beide ex-partners moeten wel binnenlands belastingplichtig zijn. Dit wordt ook wel de fiscaal geruisloze verdeling van een lijfrente genoemd.

Verrekening van de lijfrente
Als een lijfrente niet gesplitst wordt, zal het verschil in de praktijk verdeeld worden en worden verrekend met geld of een ander vermogensbestanddeel. Hierbij kan gedacht worden aan een woning of bijvoorbeeld beleggingen. In dit geval is de waarde van het vervangende vermogensbestanddeel bij de betalende ex-partner aftrekbaar als persoonsgebonden aftrek (zie art. 6.3 lid 1 Wet IB 2001). Bij de partner die het vervangende vermogensbestanddeel ontvangt, is de ontvangen waarde in box 1 belast als periodieke uitkering (zie art. 3.102 lid 3 onderdeel b Wet IB 2001). Indien de verkrijgende partner in een lager tarief valt dan de betalende partner, kan er per saldo een fiscaal voordeel worden behaald.

Deze fiscale gevolgen kunnen worden voorkomen door in het jaar van echtscheiding te opteren voor het fiscaal partnerschap over het gehele jaar in verband met de toerrekening van inkomensbestanddelen. Enerzijds is er dan een bijtelling door de periodieke uitkering in box 1 en anderzijds een aftrekpost door de persoonsgebonden aftrek. De ex-partner die de bijtelling van de periodieke uitkering in aanmerking neemt, kan dan ook de persoonsgebonden aftrek in aanmerking nemen.

Voor het tijdstip van de belastbaarheid is beslissend op welk moment dit voordeel is ontvangen, verrekend, ter beschikking is gesteld, rentedragend of vorderbaar en inbaar is geworden (zie art. 3.146 lid 1 Wet IB 2001). Dit is het moment waarop de ex-partner het vervangende goed levert. Dit kan bijvoorbeeld het moment zijn waarop de woning in eigendom wordt overgedragen bij de notaris of waarop een beleggingsrekening op naam van de andere ex-partner wordt gezet.